Wie heeft er eigenlijk last van?
Je kent het vast wel.
Een kind dat midden in de supermarkt een driftbui krijgt. Het huilt, schreeuwt en wil niet meer mee. Misschien omdat het iets niet mag hebben.
En daar staat de ouder.
Met een winkelwagen, een boodschappenlijstje en ineens een hoop ogen op zich gericht.
Want mensen kijken.
Laat je dat zomaar toe?
Je moet wel grenzen stellen.
Dat kind moet leren luisteren.
Maar wat gebeurt er eigenlijk op zo’n moment?
Ik merk dat mijn aandacht vaak als eerste naar de volwassene gaat. Naar het ongemak.
De blikken van anderen. En hoe gemakkelijk we juist vanuit dat ongemak reageren.
We zijn zo gewend geraakt aan doen wat iedereen doet, dat we soms vergeten te kijken naar wat een kind op dat moment werkelijk nodig heeft.
Want gaat die driftbui eigenlijk wel over datgene wat het kind niet mag? Of is dat misschien gewoon de laatste druppel?
Misschien heeft dat kind al een hele dag achter de rug. Vol indrukken, verwachtingen en momenten waarop het zich heeft moeten aanpassen.
Of misschien is het gewoon ontzettend teleurgesteld.
Dat kan ook.
Maar weten wij dat als buitenstaanders?
We zien de uitbarsting. Niet alles wat eraan voorafging.
En toch lijken we vaak al precies te weten wat er moet gebeuren.
Doe er wat aan!
Ik heb zelf genoeg situaties meegemaakt waarin de boosheid van mijn kind zo groot werd dat we elkaar nauwelijks nog konden bereiken.
Dat zijn geen makkelijke momenten. En natuurlijk zijn er situaties waarin je moet ingrijpen of grenzen moet stellen.
Maar ik heb ook geleerd dat zo’n uitbarsting vaak niet op zichzelf stond.
Er was al iets aan voorafgegaan.
Soms zag ik achteraf dat ik signalen had gemist. Dat er veel meer spanning was opgebouwd dan ik op dat moment had beseft.
En ja, daar voelde ik me soms schuldig over.
Want wat voor een buitenstaander het begin van het probleem lijkt, kan voor een kind juist het eindpunt zijn van alles wat eraan voorafging.
Gaandeweg ontdekte ik iets.
Wanneer ik niet eerst luisterde naar wat andere volwassenen vonden dat ik moest doen, maar bewust naast mijn kind ging zitten, gebeurde er iets anders.
Ik ging anders kijken.
Ik zag niet alleen meer de boosheid of het gedrag dat anderen zo lastig vonden.
Ik zag mijn kind.
En ik merkte dat er, wanneer mijn kind zich gezien voelde, ook weer ruimte kon ontstaan voor rust.
Soms konden we later zelfs samen terugkijken op wat er was gebeurd.
Niet midden in die storm, maar wanneer die weer was gaan liggen.
Want misschien sluiten we, juist op het moment dat het ongemakkelijk wordt, onze ogen voor het kind om te voldoen aan de verwachtingen van anderen.
En toch lijkt de maatstaf voor goed opvoeden soms verrassend eenvoudig.
Luistert je kind? Dan doe je het goed.
Een kind dat netjes meeloopt en doet wat gevraagd wordt, wordt al snel gezien als goed opgevoed.
Maar een kind dat protesteert, boos wordt of niet meewerkt?
Dan verschuift de aandacht naar de ouder.
Alsof gehoorzaamheid het bewijs is van een geslaagde opvoeding.
Maar een kind dat altijd luistert, hoeft zich niet altijd goed te voelen.
En een kind dat niet luistert, is niet automatisch slecht opgevoed.
En dan vraag ik me af: reageren we op het kind, of op het gevoel dat het kind bij óns oproept?
Want waarom vinden we sommige emoties eigenlijk zo lastig?
Misschien omdat we zelf hebben geleerd dat boosheid niet hoort. Dat huilen iets is om je voor te schamen. Dat je je moet gedragen, zeker wanneer er anderen bij zijn.
Misschien voelen we ons machteloos.
Of willen we gewoon dat de rust terugkeert.
Ik zie die tegenstelling ook in de sportwereld
Kinderen wordt daar soms geleerd hun frustratie vooral niet te laten zien. Want de concurrentie kijkt mee en zou daar op de baan en of veld gebruik van kunnen maken.
Ik begrijp de gedachte daarachter. Sport vraagt om concentratie en mentale weerbaarheid.
Maar ondertussen zie ik volwassenen langs de baan of veld die verhitte discussies voeren, elkaar uitschelden of soms zelfs met elkaar op de vuist gaan.
En dan vraag ik me af hoe dat werkt.
Een volwassene die uit zijn slof schiet, heeft een slechte dag gehad. Is moe, gestrest of gefrustreerd.
Maar een kind dat uit zijn slof schiet, moet leren zich te gedragen.
Terwijl juist dat kind nog volop aan het ontdekken is hoe het met al die gevoelens om moet gaan.
Waarom zoeken we bij volwassenen naar een verklaring voor hun gedrag, terwijl we bij kinderen zo snel naar een correctie grijpen?
Natuurlijk rechtvaardigt een emotie niet ieder gedrag. Niet bij een kind, maar ook niet bij een volwassene.
Maar begrijpen waar gedrag vandaan komt, betekent nog niet dat je alles goedkeurt.
En dat begrip verdienen kinderen toch minstens zo goed?
Iemand zei ooit tegen mij dat wanneer ik mijn tranen laat zien, ik mijn kinderen daarmee ook laat zien dat verdriet er mag zijn.
Dat huilen je niet zwak maakt.
Die woorden zijn me bijgebleven.
Want hoe kunnen we kinderen leren dat emoties erbij horen, als we zelf vooral proberen te verbergen wat we voelen?
Niet omdat we al onze emoties bij hen neer moeten leggen. Maar omdat ze mogen zien dat ook volwassenen verdrietig, boos of teleurgesteld kunnen zijn.
Misschien zit kracht niet altijd in je groot houden.
Misschien zit die soms juist in durven laten zien wat je voelt.
We leven in een wereld waarin ontzettend veel draait om presteren. Om doorgaan, meedoen en voldoen aan verwachtingen.
Misschien zijn we daardoor steeds minder gewend geraakt aan alles wat niet soepel verloopt.
Een kind dat boos is, vertraagt de boel.
Een kind dat verdrietig is, vraagt aandacht.
Een kind dat protesteert, past even niet in het plaatje dat wij voor ogen hadden.
En voor je het weet, noemen we dat kind lastig.
Maar misschien is het niet altijd het kind dat iets moet veranderen.
Misschien vraagt de situatie soms iets van ons.
Ik betrap mezelf er ook weleens op dat ik sneller reageer dan ik zou willen. Omdat ik moe ben, omdat iets me raakt of omdat ik zelf even niet de ruimte voel.
Juist daarom wil ik nieuwsgierig blijven.
Naar mijn kinderen, maar ook naar mezelf.
We zijn zo druk bezig kinderen voor te bereiden op de wereld, dat we soms vergeten ons af te vragen of die wereld ook een beetje ruimte voor kinderen kan maken.
Misschien hoeven we niet bij iedere emotie meteen iets op te lossen.
Misschien mogen we eerst eens echt kijken.
Naar wat er gebeurt.
Naar wat eraan voorafging.
Maar ook naar wat er in onszelf gebeurt.
Want we vragen kinderen voortdurend om naar ons te luisteren.
En als ze dat niet doen, vinden we daar vaak iets van.
Maar naar wie luisteren wij eigenlijk?
Naar ons kind?
Of naar de verwachtingen van de mensen om ons heen?
Je kind luistert niet.
Maar luister jij wel?